Constitutie is de aangeboren en verkregen toestand van een mens, zowel psychisch als lichamelijk. Deze is herkenbaar aan de lichaamsbouw, aan de psychische grondstemming en aan de manier van reageren op inwendige en uitwendige belasting. De erfelijke aanleg is relatief stabiel maar tevens ook plastisch vormbaar door milieu-invloeden. Al reeds in de baarmoeder zijn deze invloeden aanwezig. Maar ook later in het leven kan de mens veranderen in de manier van reageren door invloeden van buitenaf. De constitutie is de genetisch bepaalde psychische en fysieke geaardheid van de mens; het gehele wezen van de mens, hiervan gaan we uit in de natuurheelkunde.
Diathese is de aanleg of vatbaarheid voor het verkrijgen van bepaalde ziekten of uitingsvorm, symptomen daarvan. Heel eenvoudig uitgedrukt is elke diathese gebaseerd op de een of andere constitutie, terwijl een constitutie zelfstandig kan bestaan, dus zonder een begeleidende diathese. Ieder mens heeft dus een bepaalde constitutie, daar wordt je mee geboren. Of je een diathese hebt of krijgt is nog maar de vraag. Dit wordt bepaald door de manier van omgaan met je constitutie.
1. Lymfatischneurogene type (blauwgrijs met fijne vezels)
2. Lymfatische type (blauwgrijs met vrij dikke, straalvormig verlopende vezels)
3. Hydrogene type (blauw met grove vezels met verspreide witte vlekjes)
4. Hematogeen type (donker, meestal groenbruin met versluierde niet meer afzonderlijk te onderscheiden vezels)
5. Mengtype/Biliair (met eigenschappen van de verschillende voorafgaande types, de meeste bruine en bruingroene ogen behoren hiertoe)
Elk constitutietype gaat gepaard met een bepaalde ziekteaanleg. Men weet dus op welke ziekten speciaal gelet moet worden. Bovendien uit een bepaalde ziekte zich in ernstigere mate bij iemand die volgens contitutie aanleg heeft voor deze ziekte. Het constitutietype waartoe iemand behoort kan een rol spelen bij het kiezen van een passende therapie.
...


verschillende typeringen hebben ieder hun eigen karakteristieke eigenschappen.